Veertien professionals vanuit de bouwsector, woningcorporaties, architectenbureaus en Building Balance kwamen begin oktober bijeen om in een open gesprek te kijken naar de vraag hoe biobased bouwen de standaard kan worden, manieren om de transitie naar circulair en biobased bouwen te versnellen en structureel te verankeren in de praktijk.
Tijdens de bijeenkomst gaf Sjoerd Klijn Velderman van Building Balance een toelichting op de impact van nieuwe Europese regelgeving op de Nederlandse bouwsector. Zijn presentatie maakte duidelijk dat verduurzaming steeds nadrukkelijker wordt gestuurd vanuit wet- en regelgeving en dat de keuzes die vandaag worden gemaakt grote invloed hebben op projecten van de komende jaren.
Whole Life Carbon wordt de nieuwe maatstaf
Een van de belangrijkste ontwikkelingen is de invoering van Whole Life Carbon (WLC), een nieuwe Europese methode om de klimaatimpact van gebouwen te beoordelen. Waar de huidige MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) vooral kijkt naar de milieu-impact van materialen, brengt WLC de volledige klimaatimpact van een gebouw gedurende de hele levenscyclus in beeld. Daarbij worden onder meer emissies tijdens de bouw, het energiegebruik tijdens de exploitatiefase, onderhoud, sloop én de opslag van CO₂ in materialen meegenomen.
De Europese rekenregels werden in mei 2026 gepubliceerd. Nationale overheden moeten uiterlijk 1 januari 2027 een routekaart richting 2050 indienen. Vanaf 1 januari 2028 moet bij nieuwe gebouwen met meer dan 1.000 vierkante meter bruikbare vloeroppervlakte de levenscyclusuitstoot worden berekend en op het energielabel worden vermeld. De WLC-uitkomst wordt uitgedrukt in kilogram CO₂-equivalent per vierkante meter bruikbare vloeroppervlakte. De Europese richtlijn voorziet vanaf 2030 in grenswaarden voor nieuwe gebouwen.
Volgens Sjoerd biedt deze systematiek belangrijke voordelen ten opzichte van de huidige MPG. Passieve ontwerpen, snelle emissiereductie en de opslag van biogene koolstof worden nadrukkelijker gewaardeerd. Daarmee ontstaat een sterkere stimulans om al in de ontwerpfase andere keuzes te maken.
Tijdens de presentatie werd ook gewezen op de invloed van de energiemix op de uiteindelijke CO₂-prestatie. Door de grotere inzet van LNG uit de Verenigde Staten is de CO₂-uitstoot van aardgas volgens de huidige berekeningen aanzienlijk gestegen. Dat laat zien dat niet alleen materiaalkeuzes, maar ook ontwikkelingen binnen de energievoorziening invloed hebben op toekomstige WLC-scores.
Grote gevolgen voor de bouwpraktijk
De invoering van WLC zal volgens de aanwezigen grote gevolgen hebben voor de manier waarop gebouwen worden ontworpen en gerealiseerd. Gemeenten krijgen meer mogelijkheden om duurzaamheidseisen op te nemen in tenders en uitvragen. Vanaf 2028 ontstaat bovendien de mogelijkheid om projecten die niet voldoen aan vastgestelde emissiegrenzen te weigeren bij vergunningverlening.
Dat betekent dat opdrachtgevers, ontwikkelaars en bouwers nu al rekening moeten houden met de eisen die de komende jaren gaan gelden. Beslissingen die vandaag worden genomen, bepalen immers de klimaatprestatie van gebouwen die pas over enkele jaren worden gerealiseerd.
Hoewel veel projecten nog op traditionele wijze worden uitgevoerd, verschuift de aandacht steeds vaker naar circulaire en biobased oplossingen. Daarbij werd benadrukt dat het behouden van bestaande gebouwen vaak de meest duurzame keuze is. Door gebouwen langer te gebruiken, blijft ook de daarin aanwezige embodied carbon behouden.
Wanneer nieuwbouw noodzakelijk is, bieden houtconstructies en biobased materialen zoals houtwol, hennep en stro interessante alternatieven. Deze materialen presteren goed binnen de nieuwe rekenmethodiek, mits de volledige keten wordt meegenomen, inclusief transport en verwerking. De combinatie van biobased materialen, passief ontwerpen en minder installaties kan de uitstoot tijdens zowel de bouw- als gebruiksfase aanzienlijk beperken.
Financiële drempels remmen de versnelling
Ondanks de toenemende urgentie ervaren veel van de aanwezige partijen nog financiële belemmeringen. Woningcorporaties geven hierbij aan dat maatschappelijke voordelen zoals gezondheid, comfort en de restwaarde van biobased materialen vaak niet kunnen worden meegenomen in bestaande financiële modellen. Daarnaast zijn de huidige rentekosten een belangrijke uitdaging.
Tegelijkertijd zien de deelnemers kansen in een bredere benadering van kosten. Wanneer niet alleen naar de investeringskosten wordt gekeken, maar naar de totale levensduurkosten van een gebouw, blijken circulaire en biobased oplossingen vaak aantrekkelijker. Minder installaties en lagere onderhoudskosten kunnen leiden tot een gunstigere Total Cost of Ownership.
Tijdens de gesprekken werden verschillende oplossingsrichtingen benoemd. Zo werd gesproken over een zogenaamde marktmeester die de waardeverdeling binnen de keten kan borgen, financiering kan organiseren en de CO₂-prestaties kan valideren. Ook kwam het idee van een gezamenlijke risicopot naar voren om te voorkomen dat risico’s meerdere keren in de keten worden doorberekend, met oplopende kosten als gevolg.
De verwachting is bovendien dat ETS2 vanaf 2028 zal leiden tot hogere kosten voor conventionele materialen. Daardoor kunnen biobased alternatieven naar verwachting concurrerender worden.
Van ambitie naar uitvoering
Een belangrijk gespreksonderwerp was de kloof tussen bestuurlijke ambitie en uitvoering. Veel gemeenten en corporaties hebben duurzaamheidsdoelstellingen vastgelegd in convenanten, beleidsprogramma’s en strategieën. Toch blijkt de vertaling naar de dagelijkse praktijk niet altijd vanzelfsprekend. De deelnemers constateerden dat beleid alleen niet voldoende is. Wanneer kennis over circulair en biobased bouwen ontbreekt bij opdrachtgevers, ontwerpers, bouwers of leveranciers, ontstaat niet alleen weerstand tegen nieuwe materialen, maar ook tegen nieuwe manieren van samenwerken.
Juist daarom werd het belang van kennisdeling en ketensamenwerking benadrukt. Door ervaringen uit te wisselen en partijen met elkaar te verbinden, kan de transitie aanzienlijk worden versneld.
Ook werd gesproken over de rol van bouwstromen. Corporaties zien hierin voordelen vanwege standaardisatie en schaalgrootte, waardoor projecten efficiënter en goedkoper kunnen worden uitgevoerd. Tegelijkertijd werd gewaarschuwd dat bouwstromen innovatie kunnen beperken, omdat woningtypologieën voor langere tijd worden vastgelegd. Nieuwe duurzame ontwikkelingen leiden dan sneller tot extra kosten.
Als inspirerend voorbeeld werd de aanpak van de gemeente Amsterdam genoemd. Daar wordt gewerkt met mini-competities en volumebeloftes, waarbij periodiek opnieuw wordt gekeken naar veranderende behoeften en innovaties uit de markt. Hierdoor blijft ruimte bestaan voor doorontwikkeling en vernieuwing.
Waarde van koolstofopslag
Ook de rol van koolstofcertificaten kwam aan bod. Omdat biogene CO₂-opslag wordt meegenomen in de toekomstige Whole Life Carbon-berekeningen, kan een verhandelbare waarde ontstaan voor materialen waarin koolstof langdurig wordt opgeslagen.
De deelnemers benadrukten daarbij dat certificaten nooit een excuus mogen worden om bestaande emissies te blijven compenseren zonder daadwerkelijke verduurzaming. Een transparant boekhoud- en registratiesysteem is noodzakelijk om greenwashing te voorkomen en de geloofwaardigheid van de markt te waarborgen. Daarnaast werd gesproken over mogelijkheden om productieprocessen verder te optimaliseren. Voorbeelden zijn het industrieel vullen van bouwdelen in plaats van handmatige verwerking en het lokaal assembleren van materialen. Daarmee kunnen kosten worden verlaagd en transportbewegingen worden beperkt.
Samen bouwen aan de nieuwe standaard
De bijeenkomst maakte duidelijk dat er steeds meer kennis, praktijkvoorbeelden en oplossingen beschikbaar zijn om de transitie naar circulair en biobased bouwen te versnellen. Tegelijkertijd vraagt de overgang naar een toekomstbestendige bouwsector om andere vormen van samenwerking, nieuwe financiële modellen en een betere borging van ambities binnen organisaties.
Met de nieuwe Europese regelgeving wordt duurzaamheid steeds nadrukkelijker onderdeel wordt van de manier waarop gebouwen worden ontworpen, ontwikkeld en vergund. Daarmee groeit ook de noodzaak om vandaag al vooruit te kijken naar de eisen van morgen. Door kennis te delen, beter samen te werken in de keten en ruimte te blijven geven aan innovatie, kan de stap worden gezet van ambities en pilots naar brede toepassing in de praktijk.
De inzichten en ervaringen die tijdens de bijeenkomst zijn gedeeld, neemt Boeren voor Biobased Bouwen mee in de verdere uitvoering van haar activiteiten. Ze vormen waardevolle input om de biobased transitie te blijven aanjagen, partijen met elkaar te verbinden en organisaties te ondersteunen bij de stap van ambitie naar praktijk.





